Septemberavonden aan zee: het is een traditie voor Bene en haar kadeeën. Wanneer ze in een plaatselijke kroeg lekkers betalen, komt de prijs van een extra hapje om de hoek loeren. En zo krijg je bijzonder plezante discussies over bescheiden budgetten…

Bij de start van het nieuwe schooljaar maken we er graag een traditie van. Dan rijden we op een zonnige septemberavond naar Blankenberge, parkeren aan het Oosterstaketsel en kijken samen naar de zon die zakt in de zee. Zo sluiten we de zomer symbolisch af, geven kopzorgen terug aan de zee en keren ‘relaxed’ naar huis. Maar dat doen we nooit zonder gevulde maag.

Voor een portie lekkers stappen we op zo’n avond graag het vroegere huis van de havenmeester binnen: Steiger 16 is een volks café, zonder luxe, waar je naast de doodgewone pint of kop koffie ook kleine gerechtjes kunt eten. We kiezen er steevast voor een portie kibbelingen: gepaneerde en gefrituurde stukken vis met tartaarsaus. Nergens zijn ze zo lekker als hier.

We nestelen ons in een hoekje en wanneer de uitbaatster de bestelling komt opnemen, roept de jongste meteen: “Kibbelingen! Ook voor mama! En voor Lotte! Dat is drie keer!”

De dame glimlacht en vraagt of we daar iets bij willen drinken? Het gebroed kiest voor een Ice Tea en een Cola Zero. Mama trakteert zichzelf op een Hoegaarden: ook dat hoort bij het einde van een zonnige zomer.

Het lekkers staat een paar minuten later op tafel. We doen ons tegoed aan Noordzeevis in een heerlijk krokant jasje. Wanneer de saus op is, vraag ik de jongste om aan de toog een extra potje te halen. Hij gehoorzaamt en keert dra terug, glunderend, met een verse voorraad. Tussendoor seint hij dat hij droge worst heeft zien hangen:

“Het is een euro negentig voor een worst, mama. Mag ik er eentje hebben?”

Mama zegt neen en wijst naar de portie kibbelingen: daar betalen we sowieso al voor. Zouden we die niet éérst opeten?

Hij zucht. De oudste draait met haar ogen. Ondanks het bescheiden protest komt de droge worst niet meer ter sprake. Wanneer de bodem van de voorraad kibbelingen in zicht is, geeft zoonlief zelfs aan dat zijn buik vol zit: “Ik kan niet meer.”

Hij neemt een strip uit zijn rugzak en verdiept zich in de avonturen van Urbanus. Intussen rondt dochterlief ook haar maaltijd af en vraagt wanneer we nu naar de zonsondergang gaan kijken?

“Zo meteen”, zeg ik. “Als we betaald hebben.”

“Maar ik wil nog een dessert!”, roept de jongste vanachter zijn strip.

Mama zegt opnieuw neen. Ze wijst erop dat hij net ‘genoeg’ had en dat we dus geen extraatjes bestellen. Junior pruilt opnieuw maar krijgt dan de koeltoog in de gaten: ze is rijkelijk gevuld met ijsjes die schreeuwen om gekocht te worden. Hij stapt op het lekkers af en schakelt zus in voor ondersteuning:

“Lotte! Checkt da! Magnums en Cornetto’s! Allemaal te koop voor twee euro!”

“Pardon, twee euro per stuk, Seppe”, weerlegt de oudste. “Of dacht je dat je alles kon hebben voor twee euro?”

De jongste zucht nog eens en komt op de valreep nog smekend aan mijn rokken hangen: “Pleeeeease… één ijsje? Mama? Het is maar twee euro!”

Maar mama houdt het been stijf en onderstreept dat we genoeg hebben. Geen dessert meer, dit etentje wàs al een extraatje.

Zoonlief laat het hoofd ontgoocheld hangen en lonkt naar de ijsjes. Zus vervoegt hem in stilte: iets tussen medeleven en “ik-heb-ook-wel-zin-in-zoet” in. Ik hoor ze in stilte overleggen en zeggen dat het stom is dat mama niks wil kopen.

“Maar ja, eigenlijk hebben we al iets gekregen hé Seppe”, voegt de oudste eraan toe. “De kibbelingen waren ook niet gratis, kijk maar op de kaart.”

“Maar het is maar twee euro voor een Magnum! Wat is het verschil?”, bijt broer van zich af.

“Het punt is dat je geen honger meer hebt, Seppe. Dus mama betaalt geen Magnum. En het verschil is tien cent meer dan die droge worst, Seppe. Je zit in het derde leerjaar. Dat zou je écht al moeten weten.”