De kinderen vragen het me misschien 10, of wel 20 keer per week:

“Mogen we dat hebben, mama?”

‘Hebben’ betekent in hun beleving: of mama dat misschien wil kopen, met haar eigen budget. Een set Pokémonkaarten, een Harry Pottergadget, het zakje snoep dat aan de kassa in de supermarkt is uitgestald. Als ik het uit mijn portefeuille betaal, maak ik ze heel even blij. En dat is wat ouders graag willen: dat kinderen blij zijn en het goed hebben. Deze mama vormt er geen uitzondering op.

Uiteraard is er niets mis met een extraatje. Maar dat extraatje is alleen tof als het niet elke week uit de lucht gevallen komt. Daarom zegt mama dus vaker “neen” dan “ja” als het gebroed iets afsmeekt. De voorraad Pokémonkaarten in huis is relatief beperkt, het aantal Harry Pottergadgets ook. Ik maak mezelf er lang niet altijd populair mee. Binnen een eenoudergezin tellen de centen – en vooral diegene die je niet hoeft uit te geven – nu eenmaal een tikje meer dan elders.

Echt geinig wordt het pas als de kinderen zelf onderling discussiëren over de waarde van dingen.
“Ik denk dat een huis zeker 1.000 euro kost!”, zei de jongste niet zo gek geleden tegen zijn zus.
“Volgens is dat minstens 10.000 euro”, reageerde de oudste. Ze was ervan overtuigd dat zij het bij het rechte eind had. Er kwam ruzie van, tot beide koters bij mama polsten en duidelijkheid eisten. Kon ik misschien zeggen wat een huis kost?

“Het hangt er vanaf”, probeerde ik te bemiddelen. “Maar je mag algauw 150.000 euro voor een klein huisje in Brugge rekenen. Daar zal dan nog wat werk aan zijn voor je erin kunt wonen, en dat kost ook geld.”

Twee paar ogen staarden me stilzwijgend aan. Ik had notariskosten en het begrip ‘schuldsaldoverzekering’ niet eens aangekaart: iedereen wéét dat ook die dingen een smak geld kosten en bij de aankoop van een huis horen. Het cijfer 150.000 was op zich al ingeslagen als een bom. De kinderen zuchtten en dropen even later af. Ik hoorde ze nog iets murmelen over “zot” en dat ze later “eerst Lotto zouden spelen en daarna een huis kopen”.

Voor die Lotto zijn ze nog iets te jong, maar ontspanning op kindermaat gun ik ze wel. Een partijtje bowling, bijvoorbeeld. De jongste is er compleet aan verslingerd en droomt van een profcarrière. Daardoor is donderdagavond sinds kort bowlingavond geworden. Als de agenda het toelaat, zijn we rond 17u30 op post en spelen we twee spelletjes. Heel toevallig ontdekten we dat dat op de laatste donderdag van de maand zelfs aan halve prijs kan, dankzij ‘studentenkorting’. De moeder van de studerende jeugd krijgt die korting ook en daardoor is er nog budget voor een drankje én een knabbel, terwijl we al lachend strikes, spares en vooral bummers aaneenrijgen.

Zoonlief is zo verknocht aan het concept, dat hij er vlak voor de zomer zelfs een spreekbeurt aan wijdde. Want zijn lievelingsplek is ‘de bowling’. En hij is er graag omdat hij – wacht dat u? – ‘graag bowlt’. Wanneer hij het liefst bowlt: ook dat wist hij feillood te verwoorden. De laatste donderdag van de maand dus. Want dan spelen we aan halve preis.

Veel poëtischer kan budgetbewustzijn bij een achtjarige gewoon niet klinken. En deze mama? Die wordt er oprecht blei van.

Benedikte Van Eeghem